NZS (Nederlandsche Zuider-Spoorwegmaatschappij)

Uit Somda RailWiki
Naar navigatie springenNaar zoeken springen

De Nederlandsche Zuider-Spoorwegmaatschappij (NZS) was een spoorwegmaatschappij die heeft bestaan van 1891 tot 1899.

Geschiedenis

De eerste spoorlijn in Limburg, zijn gericht op internationaal treinverkeer. In 1886 maakt Henri Sarolea plannen om een spoorlijn aan te leggen van Sittard via Heerlen naar het Duitse Herzogenrath. Hij was destijds woonachtig in Heerlen en het dorp was nog niet verbonden per spoor met de omringende plaatsen. De regering in Den Haag was niet van plan om Heerlen aan te sluiten op het spoorwegnet. Uiteindelijk wordt op 24 mei 1889 een concessie verleend aan Ir. H.L.C.H. Sarolea bij beschikking van de Minister van Waterstaat Jacob Petrus Havelaar voor de aanleg van een spoorlijn van Sittard via Heerlen naar Herzogenrath. Op 27 september 1890 vindt er in Maastrichtse raadhuis een vergadering plaats, waarbij besloten wordt tot oprichting van de Nederlandsche Zuider-Spoorwegmaatschappij. [1] Op 13 april 1891 krijgen de statuten Koninklijke goedkeuring. Het doel van de spoorwegmaatschappij is om (lokaal-)spoorwegen aan te leggen van Sittard via Heerlen naar Herzogenrath en van Sittard via Echt naar Eindhoven. De eerste spoorlijn is van belang voor de exploitatie van de steenkoolmijnen in Zuid-Limburg. Op deze manier kunnen zowel kolen, materialen als medewerkers worden aan- en afgevoerd. De concessie wordt op overgedragen aan de NZS (Nederlandsche Zuider-Spoorwegmaatschappij). De exploitatie van de spoorlijn wordt echter niet door de Nederlandsche Zuider-Spoorwegmaatschappij uitgevoerd, maar door de SS. In het voorjaar van 1891 wordt tussen beide maatschappijen een overeenkomst gesloten en op 22 juni 1891 krijgt het contract de voorlopige goedkeuring van de minister. In 1892 blijkt dat de regering zich niet kan vinden met dit contract en dat het bestaande contract aangepast moet worden. In 1892 wordt echter aangedrongen door diverse ministers op opheffing van de Nederlandsche Zuider-Spoorwegmaatschappij. Directeur J.L. Cluysenaer begrijpt echter niet waarom de regering in 1892 de opheffing wil van de Zuider-Spoorwegmaatschappij. De aanleg vindt namelijk plaats door de Limburgse spoorwegmaatschappij, terwijl de exploitatie uitgevoerd zal worden door de Staatsspoorwegen. Minister Lely blijft echter bij zijn standpunt dat de concessie alleen verleend was voor de aanleg van de spoorlijn en dat de kosten voor de aanleg eigenlijk bij de Staatsspoorwegen terecht zouden komen. Daarnaast was er vastgelegd dat de spoorlijn op een later moment alsnog overgenomen kon worden door de Staatsspoorwegen. De oprichting van een aparte spoorwegmaatschappij was in de ogen van de minister hiervoor niet nodig. De aanleg kon daarom door de Staatsspoorwegen worden uitgevoerd. Er wordt de nodige druk uitgeoefend op de regering om terug te gaan naar de oorspronkelijke overeenkomst. De Tweede Kamer doet een uitnodiging tot een debat met minister Lely, maar dan gaat de regering toch overstag. De opheffing van de spoorwegmaatschappij is (voorlopig) afgewend. Er wordt besloten om de spoorlijn alsnog te laten aanleggen door de Nederlandsche Zuider-Spoorwegmaatschappij en alleen in de voorwaarden voor de exploitatie worden enige wijzigingen aangebracht. Zo wordt de Nederlandse staat ook een partij in de overeenkomst. Minister Lely laat op 12 april 1892 weten aan Sarolea dat hij terugkomt op zijn eerdere standpunt. De regering hoopt op een snelle realisatie van de spoorlijn. Uiteindelijk wordt de spoorlijn in 1896 geopend. De wijzigingen zijn gereed in 1893 en worden door alle partijen vastgesteld. Op 28 april 1893 is het wetsontwerp goed gekeurd door de Tweede Kamer, waarna alleen nog de goedkeuring resteerde van de Eerste Kamer. Dit vindt plaats op 23 juni 1893.


Spoorlijnen

Door de spoorwegmaatschappij is 1 spoorlijn aangelegd in Nederland. In 1893 wordt begonnen met de aanleg van de spoorlijn. In 1896 is de spoorlijn geopend tussen Aken en Maastricht.


Locomotieven

Door de maatschappijen zijn geen locomotieven aangeschaft, doordat de exploitatie was uitbesteed aan de SS.


Rijtuigen

Door de maatschappijen zijn geen rijtuigen aangeschaft, doordat de exploitatie was uitbesteed aan de SS.


Opheffing

De regering is in 1891 niet gelukkig met de overeenkomst die de Nederlandsche Zuider-Spoorwegmaatschappij sluit met de Staatsspoorwegen. De regering ziet het liefst dat de Nederlandsche Zuider-Spoorwegmaatschappij totaal geliquideerd wordt. Op 12 januari 1892 wordt een brief gestuurd door J. L. Cluysenaer, directeur-generaal van de Staatsspoorwegen, aan H.L.C.H. Sarolea. In de brief wordt vermeldt dat de regering bezwaar maakt tegen de overeenkomst tussen beide spoorwegmaatschappijen. Zij willen dat de concessie over wordt gedaan aan de Staatsspoorwegen. Cluysenaer laat ook weten dat ontbinding van de Nederlandsche Zuider-Maatschappij een wens is van de regering. Ontbinding van de Maatschappij is echter geen onmiddellijke realiteit, want de provincie Limburg en de verschillende gemeenten in Limburg hebben subsidies verstrekt aan de Nederlandsche Zuider-Maatschappij. De provincie en gemeenten moeten daarom bereid gevonden worden om de subsidies te gaan verstrekken aan de Staatsspoorwegen. Hiertoe moet Sarolea zo snel als mogelijk is laten weten wat de antwoorden zijn de Nederlandsche Zuider-Maatschappij, de provincie en de gemeenten op het voorstel van de regering, anders komt de aanleg van de spoorlijn in gevaar als er niet tegemoet wordt gekomen aan de wens van de regering. De spoorwegmaatschappij is niet bereid om vrijwillig afstand te doen van de concessie. Daarnaast lukt het de Staatsspoorwegen niet om de subsidies van de provincies en gemeenten te verkrijgen voor de aanleg van de spoorlijn laat Cluysenaer weten op 23 januari 1892. Op 9 februari 1892 wordt er overlegd over de brief van Cluysenaer door de Raad van Commissarissen van de Zuider-Spoorwegmaatschappij. Uiteindelijk wordt besloten om akkoord te gaan met de opheffing van de spoorwegmaatschappij, maar wel onder voorwaarden:

  1. De spoorlijn dient daadwerkelijk aangelegd te worden;
  2. De subsidies van de provincie en gemeenten zullen worden overgedragen aan de Staatsspoorwegen, zij moeten wel zelf zorgen dat zij de subsidies ook daadwerkelijk ontvangt;
  3. Door de liquidatie mogen de aandeelhouders niet benadeeld worden. De Staatsspoorwegen nemen alle rechten en plichten op zich.

Er wordt echter vanuit verschillende kanten druk op de regering uitgeoefend om alsnog akkoord te gaan met de plannen, zodat de liquidatie afgewend kan worden.

Op 1 januari 1899 gaat de concessie alsnog over naar de Staatsspoorwegen.


Bronnen, Referenties en/of Voetnoten

  • Limburgse mijnen en het spoor - R. Liebrand en P. van den Boorn - Maandblad: Op de Rails, 92e Jaargang - maart 2024 Blz: 114-123 Uitgave: NVBS ISSN: 0030-3321

  1. De Nederlandsche Zuider-Spoorwegmaatschappij met liquidatie bedreigd, 1892, HET LAND VAN HERLE, 36e Jaargang aflevering 2 april/juni 1986