Dienstregeling 1970/1971

Uit Somda RailWiki
Ga naar: navigatie, zoeken

De dienstregeling 1970/1971 loop van 31 mei 1970 tot en met 22 mei 1971.

Algemeen

De dienstregeling 1970/1971 kenmerkt zich door een grote verandering in de dienstregeling. Aan deze dienstregeling ligt het programma "Spoorslag ‘70" ten grondslag. Dit programma maakt onderdeel uit van het rapport "Spoor naar ‘75", dat begin 1969 werd gepresenteerd. In "Spoor naar ‘75" worden de plannen van de NS beschreven die mogelijk zijn met het bestaande lijnennet en materieel. Daarnaast is er een deel waarbij de NS kijkt naar de vervoersbehoefte van het Nederlandse volk tussen 1970 - 1975. Hierbij wordt gekeken naar wat gesaneerd kan worden en waar uitbreiding van het spoorwegnet noodzakelijk wordt geacht. In dit programma wordt ook aandacht besteed aan de dienstregeling. Dit onderdeel is bekend onder de naam "Spoorslag ‘70". De vernieuwing van de dienstregeling wordt ingegeven door het feit dat de spoorwegen de slag met het particuliere autobezit hebben verloren. Enerzijds wordt dit veroorzaakt doordat de uitbreiding van steden en dorpen te ver van bestaande spoorlijnen zijn gebouwd. Hierdoor neemt de totale reisafstand per openbaar vervoer toe, omdat het voor- en natransport naar de stations langer duurt dan met de auto. Door dit grotere autogebruik, lopen de centra van de steden en dorpen vol met verkeer. Hoge investeringen zijn nodig om dit verkeer te laten doorstromen, vooral in de Randstad gaat het om forse investeringen. Om dit te voorkomen, presenteert de NS met het plan "Spoorslag ‘70" een alternatief voor de overvolle wegen in de zomer naar de stadscentra. De maatregelen in dit plan worden uitgevoerd met het bestaande materieel en eigen financiering. Om de concurrentie met de auto aan te kunnen, voert de NS een nieuw dienstregelingmodel in, waarbij treinen in een strak patroon gaan rijden. Daar waar nodig worden frequenties verhoogd. Er gaan stoptreinen en intercity's rijden. Het treintype exprestrein verdwijnt. Intercity's gaan op 12 hoofdlijnen rijden, waarbij de 40 drukste stations worden aangedaan. Op de knooppunten van dit netwerk worden goede aansluitingen aangeboden. Daarnaast werd op enkele trajecten de snelheid te verhogen. In de spits worden extra sneltreinen toegevoegd. Om reizigers in de treinen te krijgen, zullen er elf stations worden geopend in de nieuwe wijken. Dit zijn Alkmaar Zuid, Arnhem Presikhaaf, Heemskerk, Delfzijl West, Tilburg West, Vlaardingen West en Voorschoten. Deze zijn in 1969 geopend, met uitzondering van Alkmaar Zuid. In 1970 staat de opening gepland voor Amsterdam Bijlmer, Delft Zuid, Schiedam Nieuwland en Dordrecht Zuid. Hiermee kan voldaan worden aan een van de eisen in het plan, “breng het publiek dichter tot de trein”. Door de aanleg van deze voorstadstations met ruime parkeergelegenheden wordt de taakstelling van de spoorwegen verruimd, omdat deze tot in de jaren ’60 lag bij het vervoer over langere afstand. Het aanvullende vervoer over de kortere afstand lag bij de autobus.


Dienstuitvoering

Een andere eis in het plan is "snel vervoer over de langere afstanden". Hiervoor zullen exprestreinen worden ingevoerd, die over een klein aantal trajecten gaan rijden en zoveel mogelijk steden met elkaar verbinden. De spoorlijnen die hiervoor zijn aangewezen, zijn de spoorlijnen van het middennet, de Oude lijn en de spoorlijnen naar het noorden, oosten, zuiden en zuidwesten. Op deze spoorlijnen gaat minimaal een keer per een exprestrein rijden. Deze stoppen op een van de belangrijkste stations in het land. De NS heeft 40 stations aangewezen waar deze treinen gaan stoppen. Deze exprestreinen worden ook wel aangeduid als 40-steden-tempotreinen, de intercity. De reissnelheid van deze treinen is minimaal 90 kilometer per uur. Deze treinen zullen kort stoppen, zodat het laden en lossen niet mogelijk is in deze treinen. Tussen de overige stations zullen aanvullende snel- en stoptreinen gaan rijden. In de Randstad zullen nieuwe treinstellen gaan rijden, die geschikt zijn voor het snel kunnen optrekken over korte afstanden.

De exprestreinen gaan rijden op de verbindingen die tot 1970 ook werden gereden door sneltreinen. Deze treinen stoppen echter ook op minder belangrijke stations. Er zijn 12 trajecten waar deze exprestreinen gaan rijden en minimaal een keer per uur stoppen:

  1. Amsterdam - Amersfoort - Zwolle -Groningen/Leeuwarden;
  2. Den Haag/Rotterdam Centraal - Utrecht - Amersfoort - Zwolle (en als stoptrein doorgaand naar Groningen/Leeuwarden;
  3. Amsterdam - Amersfoort - Deventer - Almelo - Enschede;
  4. Den Haag/Rotterdam - Utrecht-/Amersfoort - Deventer (en als stoptrein doorgaand naar Enschede). Deze dienst wordt tot Utrecht gecombineerd gereden met de dienst naar Arnhem - Nijmegen;
  5. Amsterdam - Utrecht - Arnhem - Ruhrgebied;
  6. Den Haag/Rotterdam - Utrecht - Arnhem - Nijmegen. Deze dienst wordt tot Utrecht gecombineerd gereden met de dienst naar Deventer - Enschede;
  7. Amsterdam - Utrecht - Eindhoven - Sittard - Heerlen;
  8. Amsterdam - Utrecht - Eindhoven - Sittard - Maastricht;
  9. Amsterdam - Haarlem - Den Haag Hollands Spoor - Rotterdam - Dordrecht - Eindhoven - Venlo;
  10. Amsterdam - Haarlem - Den Haag Hollands Spoor - Rotterdam - Dordrecht (en doorgaand als snel/stoptrein naar Eindhoven - Venlo);
  11. Amsterdam - Haarlem - Den Haag Hollands Spoor - Rotterdam - Dordrecht - Roosendaal - België;
  12. Amsterdam - Haarlem - Den Haag Hollands Spoor - Rotterdam - Dordrecht - Roosendaal - Vlissingen.

Uit het bovenstaande valt op te maken dat een aantal plaatsen meer dan één exprestrein rijdt. Op deze manier wordt een halfuurdienst aangeboden tussen deze plaatsen. Van de vier treinen die tussen Amsterdam en Dordrecht rijden, zullen er twee stoppen in Delft. De twee andere treinen zullen doorrijden. Ook tussen Amsterdam en Utrecht gaan vier treinen per uur rijden. De exprestreinen worden ingelegd met een snelheid van 130 kilometer per uur, daar waar mogelijk is. Op enkele trajecten is het zelfs mogelijk om 140 kilometer per uur te rijden. De stationnementen zullen verkort gaan worden, waardoor de reiziger meer tijdswinst kan behalen ten opzichte van de voorgaande dienstregeling. Ook wordt de wachttijd op de stations verkort door de frequentieverhoging. Op de hoofdlijnen gaat ieder half uur of zelfs ieder kwartier een trein rijden. De exprestreinen worden gereden door getrokken treinen. Hiervoor komen de RIC rijtuigen vrij. In deze treinen zullen 40 rijtuigen Materieel’24 gaan rijden, die worden opgeknapt.

De dienstregeling van de stoptreinen is gebaseerd op die van de exprestreinen. Op een aantal trajecten worden de stoptreinen op bepaalde tijden of bepaalde periodes worden aangevuld met sneltreinen. Dit vindt bijvoorbeeld plaats naar Alkmaar, waar zowel vanuit Haarlem als Amsterdam een aanvullende sneltrein rijdt naast de stoptrein. Door de frequentieverhoging van de stoptreinen zullen zij in de Randstand het karakter krijgen van een regionale metro. Voor deze treinen zal gebruik gemaakt gaan worden van de treinstellen Plan T en Plan V. Deze treinstellen zijn uitermate geschikt vanwege hun hoge aanzetversnelling. Op grotere stations zullen deze stoptreinen worden ingehaald door een exprestrein. Op deze manier wordt de stoptrein onaantrekkelijk gemaakt voor langere reizen. Zo wordt aangemoedigd om per exprestrein naar een van de grote stations te reizen en daar over te stappen op een stoptrein. Op een aantal trajecten rondom de grote steden zal een soort van stadsvervoer worden aangeboden. Dit is het geval tussen Amsterdam Sloterdijk en Amsterdam Bijlmer, Den Haag Hollands Spoor - Leidschendam-Voorburg, Voorschoten - Rijswijk, Rotterdam Alexander - Rotterdam Lombardijen, Rotterdam Centraal - Vlaardingen West, Rotterdam Centraal - Rotterdam Hofplein. Deze treinen worden gereden door de stoptreindiensten die over deze trajecten rijden. Tussen Groningen en Zwolle gaat een aparte stoptrein rijden.

Voor deze plannen is meer personeel nodig, ongeveer 250 mensen. Door de hogere frequentie van de treinen is een efficiëntere dienstindeling voor het rijdend personeel mogelijk. Daarnaast zijn per 1 januari 1969 kilometergroepen gemaakt voor het tariefstelsel, waarbij het loketpersoneel de kaartjes sneller kan behandelen. Dit verminderd het administratieve werk bij dit personeel. Ook conducteurs profiteren er van, die bij onbediende haltes de treinkaarten verkopen in de trein. Op een aantal trajecten zullen schoonmakers mee rijden om de treinen onderweg schoon te maken. Dit gebeurd tussen Utrecht en Amersfoort, Almelo - Enschede, Sittard - Maastricht en Sittard - Heerlen.

Voor het rijden van goederentreinen tussen Groningen en Zwolle wordt de diesellocomotief van het type V160 van de Deutsche Bundesbahn gebruikt, die ook trein 491 van Bremen naar Groningen rijdt.


Infrastructuur

Daarnaast stelt de NS een aantal uitbreidingen voor die tot 1975 gerealiseerd moeten worden. Dit zijn zogenoemde stadsspoorwegstelsels. Daarnaast worden een aantal spoorlijnen aangelegd, die nog ontbreken om spoorlijnen met elkaar verbinden, zoals de Schiphollijn. Deze zal enerzijds aan gaan sluiten op de Ringspoorbaan, waarvan de dijklichamen al in de jaren ’30 zijn aangelegd tussen Amsterdam Sloterdijk en het Overtoomse Veld. Aan de andere zijde zal het spoor aansluiten op het stadsspoornet van Amsterdam. Ook zijn er enkele spoorlijnen gepland om ontsluiting te bieden in grote agglomeraties, zoals tussen Huizen en Bussum-Zuid, Leidschendam - Zoetermeer, Schiedam - Vlaardingen Holy, IJsselmonde - Ridderkerk en Utrecht - Nieuwegein. Om het reizigersvervoer tussen Santpoort Noord en IJmuiden aantrekkelijker te maken, moet het eindpunt worden verlegd naar de nieuwe woonwijk Pleiaden. Hiermee wordt het bereik met 50% vergroot. Tussen Amsterdam en Purmerend zou onder het IJ door de Stadsspoortunnel in Amsterdam een rechtstreekse verbinding aangelegd moeten worden. De aanleg staat echter pas na 1975 gepland. In Den Haag is de aanleg van een stadsspoorlijn nog niet te rechtvaardigen, behalve de aanleg van de Zoetermeerstadslijn. Ook voor Rotterdam zijn er nog geen concrete plannen voor een stadsspoorweg. Al wordt er wel gedacht om een spoorlijn aan te leggen naar de wijken Kethel en Holy en naar Ridderkerk. Zij zullen na 1975 worden opgenomen in het Rotterdamse metronet. Rondom Utrecht zullen alleen voorstadstations worden aangelegd. De bouw van Nieuwegein vraagt wel om een spoorverbinding, omdat deze stad niet aan het spoor wordt gebouwd. Om een betere doorstroming van reizigers te krijgen, zal het station van Utrecht Centraal een verbetering moeten ondergaan. Door de integratie van Hoog Catharijne en de aanleg van het vierde perron, zorgen er voor dat de druk verlicht wordt. Daarnaast moeten er vrije kruisingen komen voor de treinen uit de richting van Amsterdam en Woerden. Daarnaast speelt de heropening van de spoorlijn naar Veenendaal en later naar Rhenen. Daarnaast is het mogelijk om de spoorlijn in een later stadium te verlengen naar Wageningen. In Amersfoort zal het eerste perron worden uitgebreid, zodat er twee doorgaande sporen zijn. In Beverwijk wordt een extra perron gebouwd. Voor spoorlijnen met een lage bezetting wordt gekeken naar eenvoudigere exploitatievormen, zodat zij hun maatschappelijke functie kunnen vervullen. Mocht dit niet het geval zijn, dan zal opheffing onvermijdelijk zijn. Busvervoer zal dan een alternatief zijn.

Na 1975 komen andere spoorlijnen in beeld om verbeterd te worden, zoals Emmen - Zwolle. Tussen Arnhem en Nijmegen alsmede Leeuwarden en Groningen zijn ook verbeteringen mogelijk. Daarnaast kunnen enkele spoorlijn weer heropend worden, zoals de spoorlijn tussen 's-Hertogenbosch en Lage Zwaluwe en de spoorlijn Zwolle - Apeldoorn. Aan materieel moet er ongeveer 250 rijtuigen bij komen. Ter vervanging van ouder materieel moeten er nog eens 600 rijtuigen bijkomen.